In 2025 promoveerde Pim Koolwijk op zijn onderzoek naar de ontwikkeling van motorische vaardigheden bij jonge kinderen (4-7 jaar) in Nederland. De centrale vraag in zijn onderzoek luidde: ‘Hoe kunnen sportprofessionals de motorische vaardigheden van jonge kinderen zo efficiënt en effectief mogelijk stimuleren?’ Voor zijn promotieonderzoek maakte Pim gebruik van de uitgebreide MQ Scan data, die over meerdere jaren werd verzameld. Dit stelde hem in staat om uniek longitudinaal onderzoek uit te voeren naar de motorische ontwikkeling van jonge kinderen. Reden te meer om Pim te spreken over zijn bevindingen en aanbevelingen.

De aanleiding voor mijn onderzoek was de negatieve trend die we al decennialang zien in de ontwikkeling van motorische vaardigheden bij kinderen in Nederland. Er is veel internationale literatuur maar weinig specifiek onderzoek naar de motorische ontwikkeling van jonge kinderen in Nederland. Daarnaast gaven vakleerkrachten en buurtsportcoaches aan dat ze niet goed weten wat ze moeten doen om jonge kinderen op de juiste manier te ondersteunen in hun motorische ontwikkeling. Dit gebrek aan kennis en handelingsverlegenheid vormde de basis voor mijn onderzoek. We wilden meer inzicht krijgen in de motorische ontwikkeling van kinderen in de leeftijd van 4 tot 6 jaar(kleuterleeftijd, groep 1 en 2) en hoe we deze kunnen verbeteren.
Een belangrijk probleem is dat gymnastieklessen pas vanaf groep 3 verplicht gegeven moeten worden door een gecertificeerde vakleerkracht. In groep 1 en 2 ligt de verantwoordelijkheid vaak bij groepsleerkrachten, die niet altijd over de juiste kennis en vaardigheden beschikken. Verder speelt de veranderende woon- en leefomgeving een rol; kinderen zijn minder fysiek actief door eengebrek aan beweegruimte in woonwijken. Ook het toenemend gebruik van social media heeft een averechts effect op de fysieke activiteit van kinderen.
We moeten accepteren dat de samenleving verandert, maar dat betekent niet dat we geen oplossingen kunnen vinden. Het kost tijd en vergt creativiteit om ons aan te passen aan deze nieuwe werkelijkheid, maar er zijn al initiatieven, zoals het verbieden van mobiele telefoons op middelbare scholen. Ook gebiedsontwikkelaars worden zich bewust ervan het belang van beweegruimte in woonwijken. Het is een kwestie van tijd en bewustwording voordat we hier beter mee omgaan.
Bij jonge kinderen is de urgentie vaak minder zichtbaar. Er wordt gedacht dat motorische achterstanden vanzelf bijtrekken naarmate het kind ouder wordt. Pas op latere leeftijd, bijvoorbeeld bijkinderen met obesitas, worden problemen echt zichtbaar. Dit komt mede doordat motorische achterstanden bij kleuters minder opvallen. Het is belangrijk om professionals en ouders bewust te maken van het belang van vroege interventie, zodat problemen niet verergeren.
Sportverenigingen kunnen een belangrijke rol spelen, maar bij jonge kinderen worden trainingen vaak gegeven door welwillende ouders zonder didactische of pedagogische scholing. Dit kan leiden tot negatieve ervaringen, waardoor kinderen afhaken. Scholing van professionals binnen verenigingen is essentieel. Daarnaast zouden docenten lichamelijke opvoeding een verbindende rol kunnen spelen tussen scholen en sportverenigingen, bijvoorbeeld door kinderen door te verwijzen naar proeflessen bij verenigingen of betrekken bij het aanbieden van naschools sportaanbod.
Uit ons onderzoek blijkt dat een interventie duur van 6 maanden, met meerdere wekelijkse beweegmomenten van grofweg30 tot 45 minuten, het meest effectief is om motorische achterstanden bij jonge kinderen aan te pakken. Dit sluit aan bij de bevinding dat kortere, frequentere beweegmomenten beter werken dan langere sessies. De schoolomgeving is hiervoor de meest geschikte plek, omdat kinderen hier het grootste deel van hun dag doorbrengen en er professionals aanwezig zijn die dit kunnen begeleiden.
Een dynamische schooldag biedt een ideale basis om deze beweegmomenten in te passen.
Scholen zijn de beste plek om deze regierol te vervullen. Kinderen brengen een groot deel van hun dag door op school, en daar zijn professionals aanwezig die getraind zijn in het herkennen en aanpakken van motorische achterstanden. Scholen moeten echter wel ondersteund worden met voldoende middelen en tijd om deze rol op zich te nemen. Het inzetten van vakleerkrachtenvoor samenwerking met sportverenigingen, buitenschoolse opvang en ouders kan hierbij ook helpen.
Het objectief meten van motorische vaardigheden geeft inzicht en grip. Het helpt docenten lichamelijke opvoeding om vroegtijdig achterstanden te signaleren en gericht actie te ondernemen, zoals doorverwijzing naar specialisten of aanpassingen in het lesprogramma. Het gaat niet om kinderen in hokjes plaatsen, maar om individuele monitoring van hun ontwikkeling. Dit maakt het ook makkelijker om met ouders in gesprek te gaan en hen bewust te maken van mogelijke problemen.
Een dynamische schooldag, waarbij fysieke en cognitieve activiteiten worden afgewisseld, zou de norm moeten zijn. Dit hoeft geen uitgebreide interventie te zijn, maar een manier van leven binnen het schoolsysteem. Korte beweegmomenten verspreid over de dag hebben een beter effect dan lange, aaneengesloten lessen. Dit draagt bij aan de motorische ontwikkeling, maar ook tot een verbeterd mentaal welbevinden en een verhoogde aandacht spanne bij kinderen.
De dynamische schooldag gaat niet ten koste van de effectieve lestijd, zoals vaak wordt gevreesd. Integendeel, kinderen worden mentaal fitter, hun aandacht spanne verbetert en ouders merken dat hun kinderen energieker en beter uitgerust zijn. Hoewel we geen direct verband leggen met bijvoorbeeld hogere Cito-scores, zijn de positieve effecten op het welzijn van kinderen onmiskenbaar. Scholen die twijfelen, raad ik aan om kritisch naar hun dagindeling te kijken en te experimenteren met het slim inplannen van beweegmomenten.
Wil je meer weten over de dynamische schooldag en hoe dat werkt in de praktijk? Lees dan hier ons blog "De school waar stilzitten taboe is: Hoe Robs dynamische aanpak leidde tot een van de sportiefste basisscholen van Nederland.
In een eerder interview met de Haagse Hogeschool licht Pim de belangrijkste bevindingen toe. Het volledige onderzoek is hier te downloaden.
