Eén op de vijf kinderen ontwikkelt zich motorisch onvoldoende of gaat zelfs achteruit, ondanks bestaande sport- en beweeginitiatieven. Recent longitudinaal onderzoek toont aan dat motorische ontwikkeling niet vanzelfsprekend is en sterk varieert tussen kinderen. De omgeving speelt hierin een cruciale rol: van thuisstimulatie tot de inrichting van wijken en voorzieningen door gemeenten. De kernvraag is daarom niet alleen wat er wordt aangeboden, maar of de juiste kinderen daadwerkelijk bereikt worden. Zonder inzicht in waar achterstanden zich voordoen, blijven deze kinderen onzichtbaar en blijft beleid gebaseerd op aannames. Door motorische ontwikkeling structureel in kaart te brengen, bijvoorbeeld via de MQ Scan, kunnen gemeenten gerichter sturen, verschillen tussen wijken blootleggen en effectiever interveniëren.

Je hebt als gemeente geïnvesteerd in het stimuleren van sport en bewegen voor kinderen. Er zijn sportakkoorden, actieve buurtsportcoaches en samenwerkingen met scholen. Maar de vraag blijft: bereik je hiermee ook de kinderen die het écht nodig hebben?
Motorische ontwikkeling is niet vanzelfsprekend
Recent wetenschappelijk onderzoek naar de motorische ontwikkeling van kinderen van 4 tot 8 jaar laat zien dat deze ontwikkeling niet vanzelfsprekend is. Pim Koolwijk, onderzoeker aan De Haagse Hogeschool en verbonden aan verschillende Nederlandse hogescholen en de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft hier de afgelopen jaren uitgebreid onderzoek naar gedaan.
In zijn longitudinale studie, gepubliceerd in het International Journal of Environmental Research and Public Health, zijn kinderen ruim twee jaar gevolgd waarbij hun motorische vaardigheden op meerdere momenten zijn gemeten. Op basis van die metingen identificeerde Koolwijk maar liefst 11 verschillende ontwikkelingspatronen.
Wat opvalt, is dat niet alle kinderen zich in dezelfde richting ontwikkelen. In Nederland zijn scholen in het primair onderwijs verplicht ten minste twee uur bewegingsonderwijs per week te geven. Oefening baart kunst, en waar je zou verwachten dat kinderen naarmate ze ouder worden vooruitgang laten zien, blijkt dit in de praktijk niet altijd het geval.
Deze kinderen ontwikkelen zich dus niet in de gewenste richting en lopen het risico om verder achterop te raken.
Waar bevinden deze kinderen zich?
De belangrijke vraag voor gemeenten is: waar bevinden deze kinderen zich? Op welke scholen en vooral in welke wijken?
Zonder inzicht blijven deze kinderen onzichtbaar.
De omgeving maakt het verschil
Motorische ontwikkeling wordt deels bepaald door individuele factoren zoals genetische aanleg, maar aanvullend onderzoek van Koolwijk en zijn collega’s laat zien dat omgevingsfactoren minstens zo belangrijk zijn. Deze factoren liggen deels binnen de invloedssfeer van ouders, zoals het aanbieden van uitdagend speelgoed, een actief voorbeeldgedrag en het stimuleren van lopen of fietsen. Maar een deel van deze omgevingsfactoren ligt ook nadrukkelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeenten.
De gemeente heeft namelijk heeft een grote rol in het faciliteren van beweging door onder andere:
De omgeving waarin een kind opgroeit heeft directe invloed op de motorische ontwikkeling. Dit betekent dat gemeenten niet alleen een faciliterende rol hebben, maar ook daadwerkelijk kunnen sturen op die ontwikkeling. Voorwaarde is wel dat er inzicht is in waar de problemen zich voordoen.
Zonder inzicht geen gerichte aanpak
Weten dat omgevingsfactoren een rol spelen is één ding. Maar om als gemeente gericht te kunnen ingrijpen, heb je eerst een helder beeld nodig van de plekken waar de motoriek achterblijft. Welke wijken of scholen laten zorgwekkende patronen zien? Pas als dat duidelijk is, kun je als gemeente gerichte vragen stellen: wat speelt er in die wijk, en wat kan er beter? De MQ Scan biedt dat startpunt, door de motorische ontwikkeling van kinderen systematisch in kaart te brengen op school- en wijkniveau. Niet als eenmalige foto, maar als film: een doorlopend beeld van hoe kinderen zich ontwikkelen, op school- , wijk- en gemeenteniveau. Zo wordt het mogelijk om vroegtijdig kinderen en groepen te signaleren die achterblijven, verschillen tussen wijken en scholen inzichtelijk te maken, en beleid gerichter te onderbouwen en de effectiviteit ervan te monitoren.
Wanneer deze inzichten worden gecombineerd met leefstijlgegevens, zoals sportdeelname, ontstaat een nog completer beeld. Zo kan zichtbaar worden of achterblijvende motorische ontwikkeling samenhangt met lage sportparticipatie of beperkte beweegmogelijkheden in de omgeving. Dit maakt het mogelijk om niet alleen te signaleren, maar ook gericht te handelen.
Zonder deze data blijft beleid vaak gebaseerd op aannames. Met deze data wordt het mogelijk om keuzes te maken op basis van feitelijke, lokale inzichten.
De vraag is daarom niet alleen wát er wordt aangeboden, maar vooral: bereikt het de kinderen die het nodig hebben en weet je waar die zich bevinden?
Koolwijk e.a. (2024), Changes in Motor Competence of 4–8-Year-Old Children: A Longitudinal Study, International Journal of Environmental Research and Public Health. Lees het artikel
Van Kann e.a. (2022), Applying an ecosystem approach to explore modifiable factors related to the risk for low motor competence in young children, Journal of Science and Medicine in Sport. Lees het artikel